Esra

Esra

In een heel mooi land waar alle bomen groen zijn en de mensen gelukkig leven stond een paleis midden in het bos. Het werd omgeven door een grote vijver. Een witte brug boog in een grote ronding over het water naar het paleis. De koning die in het paleis woonde was een heel goede koning. Hij hield veel van zijn volk en deed er alles aan om goed voor ze te zorgen.

“Esra,” sprak de koning tegen zijn dochter. “Vanmiddag wil ik graag met je praten in de binnentuin. Zul je er zijn?” De mooie Esra knikte een onopvallend knikje en vertrok naar haar kamer. Haar hart bonkte. Ze wist wat er komen zou. Haar vader wilde haar vragen of ze bereid was koningin van het land te worden. En dan moest ze een plechtige belofte afleggen. Ze had helemaal geen zin in dit gesprek. “Laat alles maar blijven zoals het is. Het is goed zo.” Zonder verder nadenken deed Esra haar mantel om, liep de wenteltrap af naar beneden en zadelde haar paard op. “Kom Maharadja, we gaan hier weg!” In galop stuurde Esra Maharadja door de binnentuin, door de poort, over de brug, het uitgestrekte woud in.

Het prachtig witte paard galoppeerde en galoppeerde. Pas toen de zon voorbij haar hoogste punt was geweest besloot Esra te gaan rusten. Bij een dikke beuk die baadde in het gouden licht van de zon ging ze zitten. Ze sloeg haar handen voor haar gezicht en begon te huilen. Pas nu besefte ze hoe verdrietig ze was. Wat moest ze doen? Waar kon ze heen? Wat wilde ze eigenlijk?

Plots stond er een kabouter voor haar. Esra had nog nooit een kabouter gezien, maar het voelde heel vertrouwd. De kabouter had een enorme bochel op zijn rug. Ondanks dat hij leunde op zijn staf had hij iets heel levendigs over zich. Zijn ogen twinkelden. Met een glimlach nam de kabouter zijn muts af, boog nog dieper dan hij nu al stond en stelde zich voor: “Ik ben Cornelis Langstok. Aangenaam.” Esra keek door haar tranen heen naar Cornelis en glimlachte een vage lach terug. Cornelis ging op een steen naast haar zitten en begon zijn pijp te stoppen. Er werd geen woord gezegd. Er gingen twee uren voorbij voordat Cornelis ging staan. Hij legde zijn pijp opzij en liep naar een houten kistje dat vlak naast hem op de grond stond. Voorzichtig maakte hij het slot los, opende het deksel en haalde er een mysterieuze steen uit tevoorschijn. Zag  Esra het goed? De steen leek steeds van kleur en vorm te veranderen. Ze wist niet zo goed wat ze ervan denken moest. Cornelis legde voorzichtig de steen tegen de borst van Esra. Ze viel onmiddellijk in een diepe slaap.

Ze is aan het spelen met andere kinderen. De tweeling waar ze altijd geheimtaal mee sprak, haar broertje en zelfs de juffrouw uit de klas. Ze voelt zich weer helemaal thuis. Dan ziet ze de vreemde kabouter met de steen in zijn hand. Het maakt haar bang. Met een schok wordt ze wakker.

Het kostte wat tijd om zich te herinneren waar ze was. Cornelis was verdwenen en het begon ook nog donker te worden. Dan, als uit het niets, stond de kabouter weer voor haar neus. Met een ferm gebaar pakte hij Esra bij de hand. “Wat heb je gedroomd, Esra?” Esra begon te vertellen over haar kindertijd en hoe fijn dat was. “Wat voor een kleur en vorm had de steen in je droom,” vroeg Cornelis. Esra moest goed nadenken. Ze zat nog steeds te rillen. Het angstige gevoel aan het einde van de droom was blijven hangen. “Een groene piramide,” zei ze met een zachte maar besliste stem. Cornelis keek haar doordringend in de ogen. “Je moet weten Esra, dat deze steeds veranderende steen een spiegelsteen is. Ze laat je zien wat je denkt. Ook dat wat je niet onder ogen wilt komen. Kom, dan gaan we om raad vragen. Er is een open plek hier vlakbij in het bos waar we samen naar toe moeten gaan. Maar voordat we dat doen, wil ik dat je eerst goed nadenkt over wat het precies is dat je zou willen vragen.” Esra ging zitten op een hoge steen en na een korte poos antwoordde ze: “Ik wil graag weten waarom ik bang ben om koningin te worden.” “Goed”, antwoordde Cornelis, “dan is dat de vraag die we gaan stellen. Kom mee.” Ze liepen in het schemer door het bos. Links en rechts passeerden ze torenhoge bomen en struiken die Esra nog nooit had gezien. Het bos wemelde van de dieren en leek groener dan ooit te voren.

eenhoornPlots stonden ze bij een open veld. Een beekje kabbelde. Het gras stond vol bloemen. De vogels floten. In het laatste avondlicht zag ze een prachtig wit dier staan. “Is dat een eenhoorn?” Verbaasd liep Esra op het dier af. Ze dacht dat ze zou worden voorgesteld aan een andere kabouter. Deze eenhoorn was het prachtigste dier dat ze ooit had gezien. Ze leek veel op Maharadja maar dan met de betovering van een eenhoorn. “Esra, dit is Sunshine Snelvoet,” stelde Cornelis voor. Sunshine boog haar hoofd. Zonder tijd te verspillen sprak het dier: “Ik weet waar je voor komt. Je mag op mijn rug springen dan zal ik je helpen een antwoord te vinden op je vraag.” Esra gehoorzaamde. Ze zat nauwelijks of Sunshine begon te rennen. Het voelde als vliegen. Ze raasden dwars door het bos. Zonder stoppen, uren achtereen, vloog het landschap aan haar voorbij. Het bos begon minder dicht te worden. Er vormden zich heuvels. Hoge rotswanden rezen op. Nu het helemaal donker was zag ze in het maanlicht hoe de heuvels langzaam overgingen in bergen. En nog steeds raasde Sunshine door.

Plots daalde een grote adelaar neer uit de hemel. Even dacht Esra dat ze werden aangevallen, maar dan raakte de adelaar met een klauw de hoorn op het hoofd van Sunshine. Esra wist niet precies wat ze zag. Het leek alsof de dieren versmolten. De adelaar was verdwenen en Sunshine had vleugels gekregen. Met een sprong vloog het dier de koude, donkere berglucht in. Esra kon haar ogen niet geloven. Ze vlogen!

De bergen werden hoger en hoger. Esra begon te rillen van de kou. Zou ze er wat van moeten zeggen? Ze had het nog maar nauwelijks gedacht of Sunshine begon te dalen. Onder zich zag ze een landschap waar vier bergen tegen elkaar aan lagen. Op de toppen lag sneeuw. Daar waar de bergen elkaar raakten was een soort beschutte open vlakte met in het midden een kristalhelder bergmeer. Ze landden er precies naast. Esra voelde zich uitgeput. Ze kon haar ogen nauwelijks nog open houden. In de bergwanden zag ze ingangen van grotten. Het leek wel alsof er een blauwe gloed uit kwam. Er kwamen legers met elven te voorschijn. Met hun doorzichtig witte vleugels vlogen ze op haar af. Toen verdwenen alle beelden. Esra viel opnieuw in een diepe slaap.

De elven droegen Esra zorgvuldig een van de spelonken in. Terwijl er goed voor haar gezorgd werd, droomde Esra opnieuw. Dit maal was ze even oud als nu. Ze was aan het koken met … met een vrouw die haar heel bekend voorkwam … De vrouw lachte. Esra lachte terug. Een golf van liefde en geluk overspoelde haar. Ze had zich sinds haar jeugd niet meer zo blij gevoeld. Esra haalde de deksel van een pan die op het fornuis stond. Uit de pan kwam Cornelis tevoorschijn. In zijn handen hield hij de mysterieuze spiegelsteen vast. Dit keer was de steen blauw en kubusvormig. Angstig trok Esra zich terug en met een schok werd ze wakker.

Waar was ze? Om haar heen was het donker en alleen een blauwe gloed verlichtte de ruimte. “O, gelukkig. Je bent er, Sunshine.” “Wees maar niet bang, Esra, de bergelven hebben heel goed voor je gezorgd. Ik wil dat je me verteld wat je hebt meegemaakt terwijl je in slaap was.” En Esra deed haar verhaal: over de vrouw, hoe gelukkig ze was en over de angst toen de spiegelsteen te zien kreeg.

“Loop naar buiten, Esra. Ik wil dat je het kristalheldere water in gaat”, sprak Sunshine. Ze gaf haar een por met haar hoorn. Esra gehoorzaamde aarzelend. Het moest ijskoud zijn. Voorzichtig zette ze een paar stappen. Maar … het water was helemaal niet koud. Terwijl de elven en de maan de nacht verlichtten liep Esra steeds verder het bergmeer in. Tot haar middel, tot haar borst, tot haar kin. Ze keek achterom. Sunshine moedigde haar aan: “Loop maar door.” Nu was Esra helemaal onder water. Ze kon nog steeds ademen! Het was er heel licht. Toen zag ze de vrouw uit haar droom. Ze had een blauw kubusvormig steentje om haar hals hangen. Esra herinnerde zich opeens dat die vrouw haar moeder was. Mirjam was gestorven toen Esra nog een klein kind was. Haar moeder opende haar armen en ze omhelsden elkaar. De twee leken sprekend op elkaar. Mirjam nam de ketting met het steentje van haar hals en hing het om Esra’s hals. Een warme gloed doordrong haar hart. Het was alsof haar moeder al haar kracht erin had gestopt. Plots was Mirjam weer verdwenen. Maar het kettinkje hing nog steeds om haar hals. Het licht onder water kreeg haar blauwe gloed terug. Ze keerde om en liep in de richting van het licht. Haar hoofd kwam boven water. De elven pakten haar vast, tilden haar uit het water en wikkelden haar in oogverblindend witte doeken.

Esra begreep dat haar moeder haar zojuist in contact had gebracht met een immense kracht in haarzelf en dat Mirjam altijd bij haar was. Sunshine legde haar hoofd tegen de schouder van Esra aan. “Nu weet je waar de blauwe steen symbool voor staat. Het wordt tijd dat je leert zien waar de groene steen voor staat. Kom mee, dan breng ik je terug naar waar onze tocht begonnen is. We moeten ons haasten want de maan staat al laag. Straks komt de zon weer op en dan verdwijnen mijn vleugels.” Esra sprong op de rug van de eenhoorn, keek de bergelven nog een laatste maal dankbaar aan en steeg met superieure en toch elegante kracht met Sunshine op.

Esra had geen idee hoe lang de reis duurde. Het kon een paar minuten zijn, maar ook tien uur. Wat ze wel wist was dat ze weer terug waren in het bos waar ze Cornelis Langstok leerde kennen. En ja hoor, de gebochelde kabouter zat daar op precies dezelfde steen in het gras een pijp te roken. Alsof er niks gebeurd was. “Het ziet er naar uit dat je een hoop te vertellen hebt”, zei Cornelis met een quasi nonchalante stem. “Nou en of!”, riep Esra. Ze deed haar mond open om te beginnen … “Kom, we gaan verstoppertje spelen!” opperde de kabouter op het punt dat Esra haar verhaal wilde doen. Dat vond Esra wel het stomste voorstel dat je op een moment als dit zou kunnen verzinnen. Maar voor ze er ook maar iets van kon vinden begon de kabouter te tellen met zijn ogen dicht.

Verbaasd zag Esra zichzelf wegrennen het bos in, op zoek naar een goede verstopplek. Alsof ze met een afstandsbediening bestuurd werd. Daar, onder een grote boom, tussen de wortels, zat een levensgroot gat. Daar zou ze wel eens in kunnen passen. Ze moest maar eens goed op een rijtje gaan zetten wat ze allemaal had meegemaakt. Wat betekende dit allemaal? Snel maar behoedzaam kroop ze het gat tussen de boomwortels in. De ruimte was veel groter dan ze had verwacht. Ze kon er zelfs rechtop zitten. Toen…..stond ze oog in oog met een grote groene slang. De slang, met het bovenlijf opgericht, keek Esra diep in haar ogen aan. “SSSSSSSS”, siste de slang. “Essssssrraaahh” Esra verroerde zich niet. Ze keek terug in de hypnotiserende ogen van de slang. In plaats van bang te worden legde Esra zacht en liefdevol haar hand op de kop van de slang. Door de aanraking veranderde de slang in een groene piramide. Precies zo als ze de steen van Cornelis in haar droom had gezien.

Esra kroop voorzichtig het hol uit en rende vlug terug naar de plek waar Cornelis haar zou gaan zoeken. De kabouter was verdwenen. Waar zou hij zijn? “Cornelis!!!” Geen antwoord. De open plek met het zachte groene gras had een kalmerende werking op haar. Er was iets in haar veranderd. Of misschien beter nog, ontwaakt. Het voelde heel zeker en krachtig, heel nieuw en toch vertrouwd. Het leek stiller dan anders in het bos. Plots zag ze een eekhoorn onder een struik liggen. Hij leek ziek. Voorzichtig pakte ze het diertje op.  Alleen al door haar aanraking kwam het leven in de eekhoorn terug. Hij was genezen! Plots besefte ze de betekenis van de verschillende vormen die Cornelis’ spiegelsteen hadden gevormd. De groene piramide stond voor het overwinnen van haar angst. De blauwe kubus stond voor het herkennen van haar kracht.

“En, heb je een antwoord op je vraag gekregen?” vroeg een stem achter haar. Uit het niets, zo leek het, was Cornelis met pijp en al te voorschijn gekomen. Met zijn benen over elkaar keek hij haar lachend aan. “Nou?” drong de kabouter aan. “Ja”, antwoordde Esra nog een beetje zoekend. “Ik was bang voor de kracht in mezelf. Nu weet ik dat ik niets te vrezen heb. Er schuilt een hele grote kracht in me en ik ben er klaar voor die te gebruiken. Het is mijn taak om anderen te genezen en te helpen.” Even kwam de angst voor zo’n grote verantwoordelijkheid weer naar boven. Ze greep automatisch naar de blauwe kubusvormige steen die ze aan een hangertje op haar hart droeg enzewist dat ze niet alleen was. Een grote glimlach verscheen op haar gezicht. “Dank je wel Cornelis, voor je hulp. Het antwoord op mijn vraag is heel duidelijk en ik ben niet meer bang.” “Ga maar gauw terug naar het paleis. Je vader wil je vast graag weer zien.” En Cornelis maakte een gebaar met zijn hand naar de oever van de beek. “Maharadja! Daar ben je.” Esra omhelsde de kabouter vlug en rende naar haar paard. Ze sprong op haar rug en in nog geen uur was ze weer terug bij het paleis.

Haar vader had alles al gehoord. Want haar vader leek gewoonweg altijd alles te weten. In de armen van haar vader vertelde ze alles wat ze had meegemaakt. Waarom ze was weggelopen, over Cornelis en de spiegelsteen, over Sunshine en de reis naar de bergen, over de elven en het kristalheldere spiegelmeer, over de ontmoeting met haar moeder, over de slang onder de boom en tenslotte over de les die ze er uit geleerd had. Esra keek haar vader diep in de ogen: “Papa, ik wil graag koningin worden van het land. Leer me alles wat ik moet weten. Als het mijn tijd is zal ik je graag opvolgen en mijn kracht gebruiken om te zorgen voor het volk.”

En zo regeerde de koning nog lang. Het volk en de dieren waren gelukkig. En Esra, die kreeg de beste opleiding die ze maar kon krijgen. Het land was gezegend want ze kregen een koningin die de wijsheid bezat van de regerende koning en de helende kracht van koningin Mirjam.

1 reactie op “Esra

  1. Mooi verhaal, Niek! Maar dat had ik al eens eerder tegen je gezegd.

Reacties zijn gesloten.